‘Hoe komt die fiets daar nou terecht?’ vraagt Beau wanneer ze de straat van de school inrijden. ‘Ik weet het niet, lieverd,’ antwoordt Marian, terwijl ze met z’n drieën staren naar de dure herenfiets, boven in de lantaarnpaal. Het voorwiel van de donkergroene Gazelle draait loom rond.
Direct onder de lantaarnpaal staat, naast de wijzende ouders en de lachende kinderen, een gezette man in een grijs maatpak. Zijn gezicht is rood, tot aan zijn hoofdhuid onder zijn dun wordende haar aan toe. Hij kijkt omhoog naar de fiets als naar een kind dat niet wil komen als je het roept, zijn handen in zijn zij, zwaar verongelijkt.
Marian stuurt haar fiets nog wat meer de groep mensen in, terwijl haar blik gericht blijft op de man. Wanneer hij zich opeens omdraait, kijkt ze recht in zijn woedende bruine ogen.
‘Heeft iemand misschien ook een ladder?’ vraagt hij met een te luide, wat hese stem. Marian ziet aan zijn gezicht dat hij niet alleen om een ladder, maar ook om medelijden vraagt. Beide vragen blijven onbeantwoord hangen in de menigte. Ze voelt Beau aan haar mouw trekken. ‘Mam, kom je?’
‘Nog heel eventjes, Beau.’ Ze kijkt schuin opzij naar Rinske, die inmiddels zeer ernstig in gesprek is verwikkeld met een tenger, blond jongetje, niet veel ouder dan zijzelf. Het groepje toeschouwers breidt zich verder uit. De man geeft de lantaarnpaal een nutteloze trap en kijkt vervolgens verwachtingsvol omhoog. Een lid van de horde jongetjes die bij de man in de buurt staat, doet de man na en geeft ook een trap, om daarna lachend snel van de man weg te lopen.
Het valt Marian op dat niemand hem aanspreekt, laat staan helpt. Hij staat als een eiland tussen de nog steeds toestromende mensen. ‘Mam,’ klinkt het weer. ‘Gaan we nou eindelijk?’ ‘Ja, ja, natuurlijk, Beau. Ga maar.’ Ze strijkt even met haar hand door Beau’s haar. ‘Rinske, kom je ook mee?’
Terwijl ze haar fiets uit de menigte stuurt, wordt ze aangesproken door een vrouw die ze herkent van het schoolplein. ‘Vreselijke man die Beerends,’ zegt die. ‘Vorige week nog was mijn Peter-Paul hier aan het voetballen, toen de bal in zijn tuin terechtkwam. Ongelukje, kan gebeuren, toch? Komt die zak naar buiten met een mes en snijdt die bal aan flarden. Zomaar! En dat doet hij aldoor. Hij klaagt continu bij de politie dat de kinderen in de straat te veel lawaai maken.’
‘Niet echt een gezellig iemand, dus, die meneer Beerends,’ zegt Marian. De vrouw schudt haar rode krullen, haar gezicht opeens vreemd serieus. Ze kijkt even naar Beerends. ‘Net goed, hij verdient het.’ Ondanks dat de man vanaf die afstand nooit iets zou kunnen horen, fluistert ze het toch. Ze heeft haar gezicht nog dichterbij gebracht.
‘Jij bent toch niet verantwoordelijk voor die fiets, hè?’ vraagt Marian. De vrouw lacht hardop. ‘Meid, was het maar zo! Daar ben ik een veel te grote schijterd voor. Nee, degene die dit gedaan heeft, die verdient wat mij betreft een lintje.’